header02.jpg
Historie
Het onderstaande over de historie van de kaatsvereniging van k.v. “De Trochsetters” is geschreven door mede-oprichter en kaatsliefhebber Siemen de Vries. Heel nieuwsgierig om te lezen is het ontstaan van de naam van de kaatsvereniging.

Overlevering van mijn vader J.M de Vries geb 1894.
Rond de jaarwisseling van 1900 kwam er een boer, Lettinga genaamd, uit de “Bildthoek” op de boerderij wonen, waar nu camping “Lyts Humalda” is. Deze Lettinga heeft volgens mijn vader het kaatsen in Ee gebracht, met hulp van een meester van de staatsschool (nu woningen tegen over de bakkerij van J. Bekker). De kinderen van de staatsschool gingen met hun meester bij dhr. Lettinga kaatsen, en omdat mijn vader bevriend was met kinderen van de staatsschool (ging zelf naar de hervormde school), mocht hij ook meedoen. Toen ze van school waren ,gingen ze door met kaatsen bij boer Lettinga. Of er toen al een kaatsvereniging was weet ik niet. Wel gingen sommigen toen naar andere plaatsen te kaatsen, zoals E. Couperus( oud postkantoorhouder) en Marten Boersma. Volgens mijn vader was het kaatsen altijd groeien, bloeien en vergaan.

Mijn herinneringen beginnen toen ik een schooljongen was. Meester de Jong leerde ons het kaatsen. In de oorlog 1940 – 1945 kaatsten de “onderduikers” bij ons in de weilanden (ik woonde tussen Ee en Oostrum op `t Heeg). Als namen kan ik mij o.a. herinneren: Gosse Ferwerda, Hendrik Ferwerda, Klaas Sipma, Wijtse Plantinga, Jan Bekker, Jaap de Jong en  Bouke Walda. Na de oorlog bloeide de vereniging weer op en werd er veel gekaatst, ook in competitieverband, en de ledenpartijen waren in een A/B klasse. De voorzitter was toen R. Postma (kapper in Ee), die volgens Jaap de Jong (slager) nog beter kon praten dan kaatsen. Volgens Jaap de Jong kwamen ze een keer op de bondspartij om te kaatsen, toen bleek dat ze niet op de lijst stonden (vergeten op te geven), maar Postma praatte net zolang dat ze mee mochten doen.

Ik (was toen ongeveer 16 jaar) kan mij ook nog herinneren dat er door de kaatsvereniging een feest werd gegeven in de garage van Van der Heide, met medewerking van een mandolineclub uit Dokkum.

De jaarvergadering werd gehouden in het gebouw van de hervormde kerk (naast de pastorie). Als bestuursleden weet ik nog: R. Postma, S. Visser, Kees Tanja en F. Plantinga. Kaatsers uit de tijd 1945 -1950 waren o.a Jan Tanje (heeft ook op de PC gekaatst), Pieter de Haan (snelle opslag), Cor Hoekstra, Folkert Plantinga, E.Couperus, Lieuwe Merkus (kon volgens zijn eigen zeggen alleen maar opslaan, en als er een kaats was ging hij naast het perk op zijn klompen zitten), S. Visser, K. Tanja, S.de Vries (oom van de schrijver), J.M. de Vries (vader van de schrijver), Th. Bolhuis (melkboer in Engwierum) en Marten Boersma (heeft geloof ik wel tot zijn 75ste gekaatst).

Na de oorlog (1945) werd er op een laaggelegen gedeelte van de oude zeedijk, naast de voormalige melkfabriek, een gedeelte door de kaatsers geëgaliseerd , om met meer plezier te kunnen kaatsen. De toenmalige directeur dhr.Bakker was ook een groot kaatsliefhebber, de kaatsattributen lagen ook bij hem thuis. Grotere partijen werden gespeeld op het weiland van K.A. de Boer (nu Braaksma) tussen de boerderij en garage van der Heide (diepe greppels en soms veel “stront”). Toen Postma uit Ee vertrok (ongeveer 1950) ging de kaatsvereniging vlug achteruit. Er werd niet veel meer gekaatst. Één of twee keer per jaar een ledenpartij. Er waren volgens mij ook maar 2 bestuursleden, S. Visser en K. Tanje. In 1957 heb ik met o.a. C. Krol, G. Dijkstra, Joh. Reitsma en W. Terpstra de kaatsvereniging weer “groeiend” gemaakt. Toen zijn wij ook weer begonnen met competitiekaatsen bij de melkfabriek. Omdat wij toen nog geen grote vereniging waren, leden kaatsten wij met de kaatsvereniging van Driesum. Wij leden kaatsten meestal op de “kamp”van H. Smedema (achter de voormalige kleuterschool). Daar zaten geen greppels in. Toen wij een sportterrein in Ee kregen, ging de vereniging steeds groeien. Wanneer er jeugd stond te kijken, spoorden wij ze aan om mee te doen. In 1958 heb ik de voorzitterfunctie overgenomen van S. Visser. Toen is de vereniging ook weer lid geworden van een kaatsbond, CFK. Er waren geen notulen of iets dergelijks van de voorgaande jaren aanwezig. Volgens de toenmalige voorzitter waren die door de muizen opgevreten. Omdat er maar f 2,50 in de kas was, hebben leden bij W. Terpstra bieten uitgedund (op ienen zette). Zo konden wij wat nieuw materiaal kopen. Omdat wij weer lid werden van de bond, moest de vereniging ook een naam hebben. Omdat het kaatsen in Ee al verschillende keren groeien, bloeien en vergaan was overkomen, heb ik voorgesteld de vereniging “de Trochsetters” te noemen, en die naam ook eer aan te doen (gelukkig tot heden gelukt). Van 1958-1975 ben ik met veel plezier voorzitter geweest en heb ik de vereniging zien groeien. Wij hadden even geen sponsors. Van het inleggeld bij ledenpartijen moesten prijzen gekocht worden. Ik deed het meestal bij K. Scherjon. Om drie gelijke prijzen te krijgen was soms een heel probleem. Later zijn wij overgegaan op waardebonnen bij Scherjon. Volgens erelid S. Loonstra waren mijn laatste woorden als scheidend voorzitter:

“de keatsclub bloeit no, en no moatte jimme trochsette”

Het was groeien, het is bloeien, vergaan mag niet komen.